De molenaarstaal
Uit: Handboek der Nederlandsche taal
Deel II. De sociologische structuur onzer taal II
Door: Jac. van Ginneken
Termen afkomstig uit:
- De Molenaar. Eshuis & Co., Dalfsen 17/7.
- Algemeen Nederlands Molenaarsblad. (v. korenmolenaars, pellerijen, meelfabrikanten,
cacaofabrikanten, olieslagerijen, handelaren in lijn- en raapkoeken enz.) H.
Germs, Doesburg 8/7.
- Groot volkomen moolenboek,
2 dln., L. van Natrus enz. Amsterdam 1734-'36.
- Groot algemeen moolenboek2,
J. van Zijl, Amsterdam 1761.
- Volledig
molenboek, beschrijving en afbeelding der molens, J. Harte, Gorinchem 1849.
- Theoretisch en Practisch molenboek voor Ingenieurs, Aannemers, Molenmakers
en verdere bouwkundigen, G. Krook, 's-Gravenhage 1850-'53.
* Van de Noord-Hollandsche molenaarstaal vindt men veel termen in Boekenoogens
De Zaansche Volkstaal, waarin ook de 18de eeuwsche vakwoorden uit Van Natrus
zijn opgenomen.
* Voor Zuid-Oost-Vlaanderen
gaf indertijd Volk en Taal II, III, IV een volledige woordenlijst, die ik hier
met verkorting van den uitleg overneem.
* De met een kruisje () geteekende woorden zijn uit het West-Limburgsche
Beverloo, en ontleend aan 't Daghet in den Oosten, Deel VII.
Aankleeden: na gescherpt te hebben de molen wederom in orde brengen
om beginnen te malen.
Aanmalen: beginnen te malen, wanneer men gescherpt heeft, of liever
nog, wanneer men een nieuwen molensteen gaat gebruiken.
Achterhekken: deel van 't zeilhekken van aan 't einde tot den buitenzoom.
- Het achterhekken is grooter als het veurhekken.
Achtermeulen, achtermolen: de geheele toestel, die de achterste koppel
steenen doet werken. - De achtermeulen kamt te vele.
Achterzoom: buitenste lat van het achterhekken van op en neer de zeile.
- De breedte van eene zeile gaat van den veurzoom tot den achterzoom.
Afzeilen: het doek van de roeien aftrekken en oprollen.
As: boom uit de kap der molen, waar van binnen het kamrad en van
buiten het kruiswerk of gevlucht aan vast is.
Asbalk: een balk onder den assekop die zooveel als het oorkussen
is waar de as op rust.
Aspeluw: zie asbalk.
Assekop: kop van de as buiten de molen, waar de borsten in komen.
Baan: deel van den kop der as, met ijzeren schenen voorzien, dat
in de baansteenen draait.
Baan, bane: het deel van de meulenasse dat aan de banesteenen raakt.
Baansteen: de baansteen staat op den aspeluw; de baan van den as
draait er in rond.
Banesteenen: steenen, daar de molenasse op draait en aan raakt. Ziet
Bane.
Bak: 1) de bak houdt het graan in dat gemalen wordt; 2) de hoeveelheid
meel die dient om eens te bakken; gebakte in den Kempen, millooi in 't Haspegouw.
Beel: hamer, dienende tot het schurpen van den molensteen.
Berriebalken, berriebolken: twee balken, die aan 't meulenkot vast zijn
en een weinig of drij boven den zetel liggen. - Zij maken als 't ware eene berrie
uit, waar heel 't meulenkot op staat.
Berrieboomen: zijn de boomen waar den bak op rust.
Bete: de slete of uithaling in de lanteern-spillen door het aanraken
van het kamwiel veroorzaakt.
Bezetheit, bezethout: stuk hout tegen de weg geplaatst om derwijze het uitvallen
en omwijken te beletten. - Zonder bezetheit en zou de wegge niet vaste blijven.
Bijbank: bank die dient om den zak bij den graanbak op te zetten, tegen
dat de bak ijdel is.
Binnenreep: reep, om de zakken binnen den molen omhoog te trekken.
Binnenroe(de): roe die naast het meulenkot is. - Ziet roe.
Blokken: stukken hout die op elken teerling liggen en waar dat de kruisplaten
op rusten. - Wat hebben ze aan den meulen gedaan? - Nen blok vernieuwd.
Boezem(e): zwaar stuk hout dat rond de manen hangt. De boezem is vast
aan den steenbalke en ondersteunt dezen.
Borst: boom van eene veertig voet lengte, gewoonlik vierkantig
gekapt of gezaagd, aan de twee uiteinden wat dunner, gewoonlik anderhalven duim
gespannen. Zij komt op de helft door den assekop en steunt de roeien.
Bovenplate: Ziet kruisplaten.
Brugge: stuk hout dat over de ringkuipen ligt en waar de uiteinden van
de tumelstokken alsook de deksels op liggen.
Buitenreep: reep, die al buiten den molen hangt om de zakken op te halen.
Buitenroe(de): roe die verst van het meulenkot is. - Ziet roe.
Bus: gehold hout of ijzer dat in 't midden van den ligger onderwaarts
staat.
Daklijst: balk die tusschen het dak en de kas inzit; die de lijst
vormt van het dak.
Daklijsten: twee balken, die evenwijdig zijn met de steenlijsten en waar
de kepers van het meulendak op vaste staan.
Dammen: de stukken hout die in de bane der molenas liggen. - Ziet lemmers.
Draaien: werken met den molen. - Binst de hoogmisse en zal de mulder
niet draaien.
Het draaiende werk: de verzamelinge van de beweegbare deelen des meulens,
die binnen het meulenkot zijn.
De ezel van de pasbrugge: balk die gaar van links naar rechts en aan
de eene zijde vastligt en al de andere zijde aan het konterijzer hangt. Op den
ezel rust de pasbrugge.
Einde: vierhakige boom, die al den eenen kant vaste zit in de asse en
ook tot beneden de zeile komt.
Gek: ijzeren klink die in de kammen van het kamrad valt om het
verkeerd draaien te beletten.
Gote: langwerpige neerhangende bak, waar het meel door zinkt.
Graanbak, groonbak: trechtervormige bak, daar men 't graan eerst in giet
bij het malen.
Graanpere: koorde die van 't zijds aan 't graanbakske vast is en tot
beneden komt. De mulder doet daardoor meer of min graan op de steenen komen.
Hake: verdund boveneinde van de stake, waar de manen rond liggen. 't
Is om den hake dat heel het beweegbare deel van den molen op de stake draait.
Hake, houke: bovenste en vierkantig uiteinde van de pere, dat vast zit
in den looper.
Hals: deel van het onderijzer dat draait in de bus.
Handboom: ijzeren steel waar men de molensteenen meê opheft.
Hangelheit, hangelhout: het rechtstaande stuk hout dat den steeger ondersteunt
en daar de steert des molens op hangt.
Hefboom: ziet handboom.
Heiter: het huizeken van voren aan den meulen, daar de zakken vooreerst
ingeleid worden na het optrekken. - Van den trap tert men in den heiter en vervolgens
in den molen.
Het hekken van de zeile: latwerk der zeile.
Hêrne: schuins afgewerkt, aan de zijden drijhoekig deel waarmeê
eene steune of nen balk, in een ander stuk vaste zit.
Hoekstijlen: vier rechtstaande balken, waarvan een in elken hoek van
den meulen, die vaste zijn aan de steenlijsten en aan de daklijsten.
IJzerbalke, ijzerbolke: balk daar het boveneinde van het staakijzer in
draait en die op de daklijsten ligt.
Kam: hout dat in het groot rad en daarna in het rondsel komt, en
dient om den molensteen te doen draaien.
Kam van de gote: eene schuif met tanden aan, waar het meel binnen de
gote op open valt.
Kam van het kamwiel: de tanden die aan het kamwiel zijn om de lanteern
te doen draaien.
Kammen: het raken van den kam van het kamwiel aan de spillen van de lanteern
des molens. - De voormeulen kamt te veel: de kam gaat te verre in de lanteerne.
Kammen van het sterrewielke: de tanden die er aan zijn om daardoor in
beweginge gebracht te worden.
Kamrad: het rad dat rond de as vastzit.
Kamwiel: groot en zwaar wiel, dat rond de meulenasse vastzit en dient
om een koppel steenen, bij middel van zijnen kam in werking te brengen. - Men
heeft een kamwiel voor elk koppel steenen,
Kêrboom: de kärboomen zijn 't zelfste als de berrieboomen.
Ketsen: rondrijden om zakken voor den molen bij te halen. - Ketsen en
is nog zoo gemakkelijk niet.
Ketser: die rondrijdt om zakken voor den molen bij te halen. - Ne ketser
moet dikwijls groote vrachten opnemen.
Kets(e)har(re): de harre die gewoonlijk gebruikt wordt om te ketsen.
Kets(e)ker(re): ziet kets(e)kar(re).
Kets(e)peerd: peerd dat doorgaans tot het ketsen gebezigd wordt.
Klamp(e): stuk hout, daar 't windberd aan vastgemaakt ofte vastgeklampt
is en dat zoo het windberd belet te zinken. De klampe moest vernieuwd worden.
Klauwreep: reep, die rondom toe is en van boven over eene schijve van
klauwen loopt. - Hij doet den buiten en binnenreep werken.
Kleen, klein bakske: bakske dat onder den den graanbak hangt en het graan
laat tusschen de steenen loopen. - Wat scheelde er op den meulen dan? - Wel!
't kleen bakske van den achtermeulen was losgeraakt.
Kleppe: stuk hout dat men na het stille leggen des molens laat vallen
tegen de kammen van het kamwiel om dus bij onweder of storm te beletten, dat
de molen kunne averrechts of verkeerd draaien. - Wanneer dat stuk hout het kamwiel
raakt, hoort men het tegen de kammen op en neder schokken. Dit heet men kleppen
en vandaar de naam van kleppe.
Klepspaan: houten stoksken (er zijn er twee) van onder tegen het staakijzer
gebonden, om den schoendel doen te kloppen.
Klip: knapken hout dat op de sloten geslagen wordt om ze vast te
doen blijven.
Köning: rechtstaande boom of as, die van boven door 't rondsel
gaat.
Konter-ijzer: eene soort van vijs, die beneden den ezel van de pasbrugge
vasthoudt en dient om de meulensteenen min of meer nader een te doen komen.
- Zou ik hier 't Fransche woord contre: tegen moeten in zien?
Kroonrad: Een liggend rad waar de köning doorsteekt en in
vastzit, en dat met zijne liggende kammen tegen een rondsel draait.
Kruisplâ: de kruispladen (kruispâen), zijn de twee
balken die kruiswegs overeen liggen op de teerlings, en tot voet dienen aan
de molen.
Kruisplaten: twee balken die kruisgewijs overeen liggen en waarvan de
uiteinden op de teerlingen vastzijn. Te midden de platen, juist in 't kruis,
staat de stake. Men onderscheidt de bovenplate en de onderplate.
Kuip: het omhulsel van den molensteen, in vorm van kuip die in
vieren gedeeld zou zijn.
Kuip(e): ziet steenkuipe.
Kuipe: kuip waar de mulder het meel in stort, dat hij schept.
Kurten, korten: de zeilkleeden wat oprollen. - 'k Zal moeten beneên
gaan om te kurten.
Lanteerne: toestel op gewijze eener lanteerne, dat van boven op het staakijzer
vast is en dat door het kamwiel in beweging gebracht wordt.
Lanteernschijven: twee ronde stukken hout, die niet slecht op schijven
gelijken en het onder- en bovendeel der meulenlanteern uitmaken.lb/>
Last: is eene andere benaming voor einde.
Lemmers: de platte ijzeren staafkens, die in de bane der as liggen. -
Na elken lemmer ligt er 'nen dam. - Ziet dit woord.
Lene van den Steeger: de leuning ter zijde.
Letsen: touwkes die het zeilkleed vastmaken aan 't einde.
Licht: lederen riem die over den lichtboom gaat,
Lichtboom: voorzien van den haal, dienende om het vonder op en
af te bewegen en om den looper te lichten naarmate de molen draait.
Lieswegge: wegge die tusschen den assekop en den pestel vaste plaatst.
Ligger: zoo noemt men de onderste meulensteen, om reden dat hij
vaste ligt.
Lijk: koord waar het zeildoek ingenaaid is.
Lip(pe): het deel van 't einde dat binnen den assekop komt.
Lipwegge: wegge die ten zijde tegen de lippe zit. - Eene lipwegge was
losgekomen.
Lits: koordeken in de lijken, langs den weiboom vastgemaakt en
in de kappekens gehangen om de zeilen vast te zetten.
Looper: bovenste meulensteen, hij loopt of draait en maalt.
Looper: ziet ligger.
Loopketen: de keten die aan het windas des molens vast is en dient om
den molen te helpen verdraaien of keeren. (Vergelijkt loopstokken).
Loopstokken: de twee stokken, die als schoren dienen rechts en links
van het hangelhout. - Wanneer de meulen moet gekeerd worden, zijn zij de eerste
die moeten loopen of van plaats veranderen.
Luiaske: kleine as, die dient om de zakken op te halen.
Luie: ziet luiaske.
Luihuizeken: dat vooruitkomende kapke van voren aan den meulen, heel
van boven, waar het uiteinde van het luiaske onder komt.
Luikoorde: eene koorde die vast is aan de wippe en die dient om deze
te doen opluiden.
Maalzolder: planken vloer, waarboven 't malen gebeurt en waar de mulder
de zakken legt, weegt en afdoet.
Manen: twee koperen of metalen stukken, als 't ware, twee ringen met
breeden rand, die rondom den hake der molenstake tegen elkander draaien. De
onderste mane ligt vast op de stake en de bovenste is aan den steenbalke vastgemaakt.
Meelbak: bak daar de meelgote langs door ligt.
Meelbak: bak waar de zak wordt aangehangen.
Meelgoot: de houten buis waardoor 't gemaal in den zak glijdt.
Meelgote: ziet gote.
Meelkuipe: ziet kuipen.
Meelschoep: schepper om het meel op te scheppen.
Meelschuppe: schuppe daar den mulder meel mee schept.
Den meulen volleggen: de vier zeilkleeden heel en gansch op de zeilhekkens
openspreiden. - We gaan werken van den achternoen; ge moogt den meulen volleggen.
Meulennagel, molennagel: soort van taaie, platte nagel met ne goeden
kop. - De mulder vrieg ne kilo meulennagels.
Meulensteeger: trap al waar men op den molen gaat.
Mirrenstijlen, middenstijlen: vier opweertsgaande stijlen, waarvan twee
in den midden van elke zijde, die de uiteinden van den steenbalke insluiten.
't Is hierdoor dat het heele meulenkot met den steenbalke rond de stake draaien
kan. Voor midden zegt het volk dikwijls mirren.
Monster: zeker gewicht verschillende van streek tot streek, dat
men van 't meel afneemt als loon voor 't malen.
Monsteren: den loon van den zak afnemen.
Molendam, meulendam: heuvel waar de molen op staat. - De zakken lagen
op den meulendam, Kram. zegt molenberg en Schuerm. molenwal.
Molenkot, meulenkot: het beweegbaar deel des molens, waarbinnen men maalt
en werkt. - Het bestaat uit het vorendeel, het achterdeel of achtergetrek, de
twee zijden, de zoldering en het dak.
Molensteenen, meulensteenen: steenen waartusschen het graan gemalen wordt.
Muizela(a)r(e), muizele(e)r(e): stijl die te midden de windwee van beneden
tot aan de asse staat en te wege brengt, dat de meulen muizelt.
Muizelen: het muizelen van den meulen bestaat hierin, dat de baan, door
de wieken in 't draaien beschreven, niet evenwijdig en is met de windwee, maar
wel met die 'ne scherpen hoek vormt. - Hoe meer 'ne meulen muizelt, hoe beter
hij draait, zeggen de muilders.
Multer: meel dat voortkomt van hetgeen de mulder als maalloon van de
zakken nemen mag. - Ik ga ne kilo of tien multer vragen.
Multeren: de maalloon van het gemale afnemen. - De mulder mag den zak
multeren.
Multerschup(pe): schuppe waar men meê multert. - Zie meelschuppe.
Neep, nepe: stukske hout, dat tegen eene uitholinge van den meulenwand
past en dat dient om den klauwreep te houden of vast te nijpen. - Van daar de
naam nepe.
Noot, note: bloksken hout, dat den ijzerbalke uit en in kan, en dat dient
om het staakijzer in den ijzerbalke te doen vastzitten.
Ondermolen, ondermeulen: onderste afdeelinge van het meulenkot, beneden
den maalzolder.
Onderplaten: ziet kruisplaten.
Ontzeilen: de zeilkleeden toerollen. - Jan zal den meulen ontzeilen.
Ontzeilhaak: haak vastgemaakt aan het 'einde' om bij 't ontzeilen de
zeilkleeden in vast te leggen. - 't Zijn er zoo verscheidene. - Ziet ontzeilen.
Oor(e): uiteinde van ne stijl of balk die door nen anderen zit, dat al
den buitenkant dezes anderen zichtbaar is. 't Is door de ooren dat de sleutels
gesteken worden. - Ziet sleutel.
Opluiden: optrekken. - De zakken opluiden.
Opzeilen: het doek op de roeien openen.
Paalwegge: de wegge die in den assekop het einde op den pestel gesloten
houdt. - 't Was eene paalwegge uitgevallen.
Pal: 't zelfste als gek.
Pan: ijzeren plaat die in het vonder staat, en waar het onderijzer
in draait.
Pasblok: blok hout, die in de pasbrugge zit en die moet kunnen om en
weer schuiven om de steenen overal evenwijdig te houden of ze te passen.
Pasbrugge: brugge, of kort stuk hout, dat al den eenen kant vaste ligt
en al den anderen kant op den ezel rust. De pasbrugge dient om de steenen in
pas te houden; 't is te zeggen, zoodanig, dat de bovenste steen overal evenver
van den ondersten zij.
Pere: ijzeren staaf in den vorm eener peer, die in den speurpot draait,
al door den ligger gaat en van boven vast zit in den looper.
Pestel: vierhoekige boom, waar het einde binnen den assekop op vereenigd
en aan vastgehecht is. - Ne pestel is nen eekenen boom.
Pierhaak: haak waar men zeilen meê neertrekt, wanneer de molen
niet en draait.
Pinneband: balk die achter den binnebalke ligt. - 't Is door het steken
of wegtrekken van spieën tusschen den pinneband en den pinnebalke, dat
de asse vooruit of achteruit kan gaan. - De pinneband immers ligt onbeweegbaar,
terwijl de pinnebalke vooruit en achteruit schuiven kan.
Pinnebalke: balk, die van boven in 't vorendeel van den meulen ligt en
waar het uiteinde of de pinne der meulenasse in draait.
Pinnesteen: steen in den pinnebalke gelegen, daar de pinne der as in
komt.
Pot: klein rond putteken in de pan, daar de pin van het onderijzer
in ronddraait.
Poupen, papen: de staken die rondom den molendam in den grond steken
om de loopketen aan vast te leggen bij het keeren van den molen.
Prangbalk: 't hout dat de prang doet werken, openen en sluiten.
Puien, puiten: houten haakskes in den vorm van nen zittenden puit of
kikvorsch die aan 't einde vast zijn en waar men de letsen in legt.
Rene: zwaar rechthoekig stuk ijzer met vertakkingen aan, dat midden den
looper vaste ligt. De hake van de pere sluit er in.
Renetakken: de vier vertakkingen op de vier hoeken van de rene.
Ring: de plaats tusschen den looper en de kuip in.
Ring: ziet steenring en steenkuipe.
Ringhout, ringheit: ringvormig hout, daar de onderste steen of de ligger
stevig in vaste zit.
Ringmeel: meel dat rondom den steen in de kuip is gevallen.
Roe(de): de vereeniging van ne pestel in de twee einden, die in den assekop
tegen elkaar stooten. Men onderscheidt de binnenroe en de buitenroe.
Eene roe bloot trekken: op eene roede het zeilkleed oprollen. - We gaan
eene roe bloot trekken.
Eene roe t'halven trekken: op ééne roede 't zeilkleed ne
merkelijken eind verre opvouwen. - De mulder moest eene roe t'halven trekken.
Eene roe op de koorde trekken: het zeilkleed eener roede bijkans heel
en gansch opvouwen. - We zullen eene roe op de koorde trekken.
Eene roe tipkes trekken: is hetzelfde als eene roe tippen trekken.
Eene roe tippen trekken: de zeilkleeden eener roede elk een weinig opvouwen.
- Jan vergeet niet eene roe tippen te trekken.
Roegewand: de twee roeden des meulens. Elke roe heeft twee einden of
lasten, die op ne pestel vereenigd liggen; dus bestaat het roegewand uit twee
pestel en vier einden.
Rok: het buitenste, als 't ware, neerhangande deel van 't meulenkot.
Rokken: men zegt de meulen is kort gerokt, als wanneer 's molens wanden
niet verre beneden en komen, en, de meulen is lang gerokt, in het tegenovergestelde
geval.
Rondsel: 't rad dat op het staakijzer vast zit en door het kamrad
in beweging gebracht wordt.
Scheên, scheeden: dwarslatten van het hekken. -'tWaren twee scheên
in 't veurhekken gebroken.
Scheppen: zie multeren. De mulder schepte zeven kilos van éénen
zak!
Scheut, scheute: plank die van 't windberd deelmaakt. - 't Moet eene
andere scheute op 't windberd geleid worden.
Schieten: verschuiven, verschokken bij 't draaien des molen ('t wordt
van den pestel gezeid, wanneer hij niet wel vast en zit in assekop). - De pestel
schiet, we zullen den meulenmaker moeten doen komen.
Schouderinge van de rene: de twee zware stukken ijzer, die boven op de
rene liggen.
Schuive: oogvormig, waar de meelschuppe in gesteken wordt, nadat zij
gebezigd werd.
Slagkoorden: koorden of touwen die van het achterhekken naar het midden
des hekkens komen en zóó het zeildoek opspannen. - De mulder moest
de slagkoorden vernieuwen.
Slek, de: de slekken zijn twee plaaien, de gedaante van eene slek
hebbende, die van onder tegen den kast der molen een weinig op den zetel dragen.
Slekhouten, slekheiten: twee stukken hout, die van onder aan de berriebalken
vast zijn en bij 't verwinden lichtekes tegen den zetel wrijven. 't Is om den
meulen het zinken te beletten dat de slekhouten dienen.
Sleks-geven (uitspr. sleks geên): den meulen bij middel van slekhouten
verhoogen.
Sleutel: stuk hout dat gesteken wordt door het uiteinde van nen balk,
die dwars door een ander stuk uitkomt, ten einde het terugschuiven te beletten.
Slingerstok: plat stuk van boven aan eene zeil, waar de zoom van de nabijzijnde
zeil doorschuift om alzoo meer vastheid aan de zeil te geven. - De slingerstok
hing gebroken.
Sloten: 1) stukken hout, die tusschen de pasbrugge en den ezel gestoken
worden; 2) stukken hout, die dienen om den pasblok te doen verschuiven.
Snokpeze, snokpees: koorde die van onder vaste is aan een stuk hout om
den klauwreep tegen den meulenwand te nijpen. Als de mulder aan die koorde trekt,
snokt hij zóó dat stukske hout weg, en de klauwreep kan werken.
- Ziet nepe.
Spankoorde: koorde, die 't klein bakske ophoudt en al over de ringkuipe
gaat.
Speurpot: ijzeren potje, daar de pere in draait.
Spil: ijzeren of houten staven die in het rondsel komen, heeten
de spillen.
Spillen: de harde rollekes hout der lanteerne van den meulen, daar de
tanden van het kamwiel tegen komen.
Sprang(e): ijzeren ooge, daar de vange meê aan het vangebalkske
vaste ligt. - De sprange doet de vange, bij het loslaten, opspringen. - Vergelijkt
het klankenwisselen in springen, sprong, sprang, sprange.
Staakijzer: zwaar rechtstaande ijzer, dat den looper in beweging brengt.
Staander, staner: platgemaakt stuk hout, dat tegen het bezethout geplaatst
is om derwijze het omwijken te beletten. - 't Was ne staander los gekomen.
Stake: zware boom die heel en gansch het beweegbaar meulenstel draagt
en op het midden van de kruisplaten met vier pooten pal vaste staat. Opdat de
stake niet rechts noch links en zou weg kunnen, steken er sleutels ter zijde
door de kruisplaten.
Standaard: rechtstaande boom waar de geheele molen in hangt.
Steenbalk: balk die op zijn breeds door den molen gaat, die op
den standaard rust en het steenbed ondersteunt.
Steekbanden (van steken: steunen): acht balken die van op de kruisplaten
schuins omhooge gaan. - De vier binnenste steken in de stake en de vier buitenste
zitten vast in den zetel van den molen, alle met nen herne
Steekbanden: schuinsstaande stijlen die kloekte geven aan de meulenzijden
en vaste zitten van boven in de daklijste, en van onder òf in nen middenstijl,
òf in nen hoekstijl, òf in de steenlijste.
Steenbalke, steenbolke: overgroote balk waar de molensteenen boven rusten.
Steenbedde: de vereeniginge van balken, waar de molensteenen op rusten.
- 't Er is een steenbedde voor ieder koppel steenen, en de steenbeddens rusten
op den steenbalke.
Steenkuip(e): ronde kasse of kuipe, daar de bovenste steen of de looper
in draait. - Men zegt ook steenring, of kortaf ring, kuipe.
Steenlijsten: twee balken die van end tot end den meulen gaan, de een
rechts en de andere links, en rustende zijn op 't uiteinde van den steenbalke.
Steenring: ziet steenkuipe. - De toestel gelijkt een ring inderdaad.
Steenzolder: de vloer of zolder, waar de meulensteenen op liggen.
Steert van den meulen: het toestel dat van onder aan het meulenkot vast
is en dwars door den meulensteeger komt. - 't Is bij middel van den steert dat
de molen gekeerd wordt.
Steerteling: kort touw aan het zeilkleed gehecht en dienende om dit kleed
vast te leggen. - 't Zijn verscheidene steertelingen aan een zeil. - Ziet zeilkleed.
Steert der vange: uiteinde der vange, dat aan den vleger gehecht is.
Sterrewielke: een wiel daar het luiaske doorgaat, en dat dient om het
luiaske te doen werken. - Door zijn maaksel en gelijkt het niet slecht aan eene
sterre.
Steun(e)balken: balk die ook op de daklijsten ligt en waartegen de ijzerbalke
met eene schore steunt.
Stormband: breede ijzeren band, die rond de stake gaat en al den eenen
kant vastgemaakt is aan boezem en steenbalke. In geval van harden wind of storm
dient hij tot verzekeringe des molens.
Teerlingen: de vier zware muursteenen, in den vorm van teerlingen, daar
de molen op staat. - Het was nen teerling uitgebrokkeld, de metser moest komen.
Tuerlinckx heeft ook dees woord.
Trapke: getand stuk hout, dat al weerskanten van het bakske ligt en dat
dient om het klein bakske te verhoogen of te verleegen.
Tremelstokken: twee stokken die schuins en stil liggen en den graanbak
dragen.
Vang(e): plank, die stropsgewijze rondom het vangwiel gaat en dient om
den meulen in het draaien te bedwingen.
Vangebalkske: balkske waar de vange, bij haar begin, met eene ooge aan
vastligt.
Vangehaak: berd of plank, daar eene greît ingezaagd is en zóó
als 't ware eenen haak vormt, daar de vangevleger in ligt.
Vangevleger, den: zware balk, die vast is aan den steert der vange en
dient om den meulen stille te leggen. 't Volkt zegt vleger voor vlegel.
Vangewiel: kamwiel daar de vange rondom sluit.
Vangewinde: eene winde daar men de vange meê in werkinge brengt.
- Men zegt ook enkel winde. - De winde was gebroken.
Vangezeel: reep, dien de mulder bezigt om de vange te doen werken en
die al over de winde gaat.
Vermangelen: verwisselen tegen mulder. 't Is windeloos, ik ga een vijftig
kilos graan vermangelen.
Verstuiven: door het stuiven verliezen. Op 40 kilos hield de mulder nen
halven kilo af voor 't verstuiven.
Veurhekken, voorhekken: deel van 't zeilhekken van aan 't einde tot aan
den binnenzoom.
Veurmeulen, voormolen: de geheele toestel, die de voorste koppel steenen
doet werken. - De veurmeulen kamt te letter.
Veurzoom, voorzoom: eindlat van het voorhekken van op en neer de zeile.
- De vèurzoom was gebroken.
Viere t'halventrekken: op de vier einden des molens het zeilkleed eene
merkelijke lengte opvouwen. - 't Waait te stijf: toe! laat ons viere t'halven
trekken.
Viere tipkes trekken: alle vier de zeil-kleeden een weinig opvouwen.
- We zullen viere tipkes trekken, eer dat we beginnen te werken.
Viere tippen trekken: ziet viere tipkes trekken.
Viere op de koorde trekken: eene roe op de koorde trekken doch op de
vier einden.
Vorke: benedendeel van het staakijzer in den vorm eener vork, dat sluit
tusschen de stukken van de schouderinge der rene.
Werveling: toestelleke, bestaande uit een stukske hout dat rond ne nagel
draaien kan - dat dient om 't windberd in 't voorhekken te houden. - 't Brak
ne werveling, binst dat men 't windberd plaatste. - Ziet windberd en voorhekken.
Wervelingske: ziet wervelinge.
Windberd: planke die het voorhekken bedekt en van verscheidene stukken
is.
Winde: ziet vangewinde.
Windeloos: 't Is windeloos: er is geen wind. - 't Is droevig voor ne
mulder, als 't zoolange windeloos is.
Windwee: het achtergetrek des meulens, of die kant, alwaar de wieken
of zeilen vóór draaien, en waar altijd diensvolgens de wind op
blaast. Ziet windweeg bij Schuerm.
Wip(pe): balkske dat het luiaske doet omhooge gaan tot tegen het kamwiel
des molens en het derwijze in werkinge doet komen.
Zakhaak: haak daar de zak binst het malen aan vaste hangt van onder aan
de meelgote.
Zeilhekken: het hekken der zeile.
Zeilkleeden: de kleeden of lakens die op de wieken des molens gespannen
worden.
Zeilen: de wieken van den molen. - 't Was eene zeile gebroken: de zeilkleeden.
Ziet dees woord.
Zetel: vierkante lijst, bestaande uit vier stijlen, die met ooren door
elkander zitten, en met zwaluwsteerten stevig rond de stake sluiten. De zetel
maakt dat het molengestel rond de stake noch leegen, noch hoogen en kan. - Bij
middel van de twee zetelbalken of berriebalken draagt hij de zoldering des molens.
Zwalmsteert: ziet zwaluwsteert.
Zwaluwsteert: min breede deel van een balk, waar deze in een anderen
balk mee vaste ligt en dat ter zijde afgewerkt is tot den vorm van ne zwaluwsteert,
d.i. op gewijze van een trapezium, waarvan de lengte der evenwijdige lijnen
van boven is en de kortste van onder tegen het breedere deel van den vastliggenden
balk. De zwaluwsteert belet teenemaal het vóór- en het achterweerts
schuiven. - Vergelijk Schuermans' Idioticon.
De nieuwere meelfabrieken werken, vergeleken bij de oude geslepen molensteenen,
tienmaal zoo geleidelijk en volmaakt. Maar nam het oude onvolmaakte ambacht:
het heele zieleleven van den molenaar in beslag, waarbij het rekenen met tij
en ontij, slappen en sterken wind, vaak iets groot-menschelijks aanbracht in
karakter en berusting; thans is daarvan in de fabrieken eigenlijk niets meer
over. De chef-molenaar (Obermüller), en twee ondermolenaars zijn geschoold
in het nieuwe vak, terwijl hun 40 à 60 helpers louter handlangers of
machinisten en timmerlieden zijn, die niets meer van de vaktaal kennen.
Bron: Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren
http://www.dbnl.org/tekst/ginn001hand02/ginn001hand02_009.htm