Molenspreekwoorden

Al gaande wint de molen.
Al is hij mijn vijand, dat hij op mijn molen komt.
Al wat zij heeft, is een water- en een windmolen, met een bos voor haar poort.
Alle molenaars zijn geen dieven
Als of ze van de molen bestoven, en haar hersens een slag daar van weg hadden

Daar is vannacht meer dan de molen in het woud omgegaan.
Daar is wat in de molen.
(Dat wil in 't algemeen zeggen: er is grote drukte, er worden zaken voorbereid, die men weldra aan. hare uitwerkselen zal leren kennen; maar 't geschiedt in 't geheim. Het spreekwoord wordt bepaaldelijk op de dronkaard toegepast, of dat diens hersenen in een draaiende beweging geraken.)
Daar wast geen spinrag (of: mus) aan een draaiende molenkam.
Daar zal geen molen minder om malen.
Dat gaat zou vast als een omlopende windmolen.
Dat gelijkt als een windmolen op een burgemeester.
De huik naar de wind hangen.
Dat is al lang in de molen geweest.
Dat is geen molensteen- werk.
Dat is koren op zijn molen.
Dat is niet in de haak. (als de vangbalk niet goed in de haak hangt)
Dat is water op zijn molen.
Dat is wind op zijn molen
Dat ligt als een molensteen op het hart
Dat maalt hem steeds door het hoofd
Dat zullen wij God en de molenaar laten scheiden
Datzelfde windje zal ook onze molen doen draaien.
De hovaardij heeft hem tegen de molen gedreven.
De meulen is deur de prang
De molen door de vang laten lopen.
De molen gaat niet om met water, dat voorbij is.
De molen gaat niet om met wind, die voorbij is.
De molen is door de vang.
(Men bezigt dit spreekwoord van personen, die hun driften geen meester zijn, of wiens hersens aan 't malen geraken, gelijk mede van zaken, die niet meer deugen. Als de van , die dient, om de molen te doen stilstaan, niet in tijds wordt vastgezet, dan is er naderhand geen houden aan de molen: hij maalt zich in brand, of zijn wieken en zijn raderwerk worden kort en klein geslagen.)
De molen is gesloten, de ezel vermijdt hem.
De molen loopt door de vang
De molen maalt daar goed.
De molen naar de wind keren.
De molen staat door de vang
De molen van deze wereld zou door de vang lopen, indien de vaart van het eigenbelang niet gestuit werd door de tegenkracht van de gemeenschapsidee.
De molensteentjes zijn versleten
De mond is een gaande molen.
De oliemolen gaat als van ouds.
Des zomers een wambuis en des winters een pij doet de molen goed, en bakt op zijn tijd.
Die een ander liever heeft dan zichzelf, sterft van dorst bij de molen.
Die in de molen komt, wordt licht bestoven.
Die omtrent de molen woont, bestuift van het meel.

Een gons van de molen hebben
Een halve brui van de molen weghebben
Een jonge vrouw en molenrad, daaraan ontbreekt gemeenlijk wat.
Een molensteen is kwalijk ver te werpen.
Een molentje rond (aan elk van het gezelschap een zoen geven)
Een tik of slag van den molen of van het moleneinde hebben
Een slag van de molen beet hebben.
Een stille molen maalt geen meel.
Elk één trekt het water naar zijn molen.
Er is geen molenaarshaan of hij at wel gestolen graan
Er is meer dan de molen in het woud omgegaan
Er is zeker iets anders in de molen.

Ga altijd op zijn tijd ter molen.
Geen koren van de molen sturen
Gij rommelt als een molen; doch ik zie nog geen meel.
Gods molens malen vroeg en laat.
Gods molens malen langzaam, maar goed
Gods molens malen langzaam, maar zeker.

Heet ijzer en molenstenen moet men laten liggen.
Het hangt als een molensteen om zijn hals.
Het hoofd hort hem van wijsheid als een rosmolen.
Het is een kunst te leven: praktijk is een molenpaard.
Het is een gebroken molen.
Het is straat- (of: molen-) gerucht.
Het koren van de molen zenden.
Het lijkt zooveel als een koe een windmolen.
Hij diende wel door een molensteen te kijken, daar een gat in is
Hij draaft als een molenpaard.
Hij gaat genoeg ter molen, die daar zijnen ezel zendt.
Hij heeft een bril van doen: hij ziet koe (of: een paard) voor een windmolen aan.
Hij heeft een klap van de molen gekregen
Hij heeft een molentje in het hoofd.
Hij heeft een slag van de Kamper (of: Jutfaasschen) molen weg.
Hij heeft een slinger; een slag van den slingermeulen
Hij heeft een smeet van den meulen weg
Hij heeft er gestaan, gelijk de beeren-molen.
Hij heeft er zich zo ingewikkeld, alsof hij zijn vingers tussen de molenkam gestoken had.
Hij heeft geen goed hoofdvlees; hij is te naer bij de meulen geweest
Hij heeft het er als een molenaarshaan (of: als een haan op de molen).
Hij heeft ter molen geweest
Hij heeft zoveel wind, dat een molen ervan zou omgaan.
Hij is ééns ter markt, en tweemaal ter molen geweest.
Hij is te dicht bij de molen geweest.
Hij is zo dronken als een staartmolen.
(Dit spreekwoord, dat gebruikt wordt, om er de dronkaard mee te bestempelen, geldt aan de Zaan, en zal wel aan de waggelende gang van het genoemde werktuig ontleend zijn.)
Hij is zo winderig als een molen.
Hij kan niets laten liggen dan gloeiend ijzer en molenstenen.
Hij loopt met molentjes.
Hij stuurt geen koren van de molen.
Hij vecht tegen de windmolens.
Hij weet de molen niet aan de gang te houden.
Hij werkt als een molenpaard.
Hij wil de molenstenen leren zwemmen.
Hij zal op geen windmolen verdrinken.
Hoge molens vangen veel wind.

Ieder zal ter molen gaan met zijnen zak.
Ik heb nu lang genoeg in dezen rosmolen gaan stipstappen.
Ik vertrouw u niets dan molenstenen, en die nauwelijks op zijn kant.
Ik vrees, dat mij dat niet wel bekomen zal, zei de mof, en hij kreeg een slag van de molen.
Ik zal de zak zelf naar de molen brengen, omdat ik het meel liefst wil terug halen.
In badplaatsen, barbierswinkels en molens verneemt men alle dingen.
In de mallemolen geraken.
In de rosmolen lopen.
't Is een schone dag zei de mulder en 't waaide.
Is het geen koe, zo is het een windmolen.

Je draagt maar koren op de linkse molen
Je rommelt als een molen maar ik zie nog geen meel

Koren dragen op iemands molen

Maak maar geen molentjes.
Men brengt geen schone zakken ter molen.
Men kan geen molens met blaasbalgen doen omgaan.
Men kan niet tezamen ter oven en ter molen zijn.
Men moet hier geen koren dragen op de molen van de tegenstander
Met de billen bloot komen.
(als in de korenmolen de bovenste maalsteen moet worden schoongemaakt, wordt de steen opgetild en omgedraaid. Aan de onderkant zitten ribbels, die billen worden genoemd. Zo komt de steen met de billen bloot.)
Met verlopen water maalt geen molen.
Mijn molen maalt niet meer.
Molen in 't kruus, molenaar naar huus.
Molen in 't kruis, molenaar naar huis.

Nu de mosterd hem bij de neus heeft gehad, vervloekt hij zelfs de molen waarin die gemalen is.

Om een schepel graan bouw je geen molen
Om één mudde (of: één schepel) koren, die hij te malen heeft, wil hij een ganse molen oprichten.
Om een mud koren te malen, moet men geen molen bouwen

't Zijn maar molentjes
Te veel wind door de hekken laten waaien.
Twee harde stenen malen zelden fijn.

Uw koren is in de molen.

Wat baat het, veel koren ter molen te brengen, zo de molen, gebroken zijnde, het niet breken kan?
Wat doe je zo na aan de molen?
't Water komt al ver vandaan, dat de molen om doet gaan.
Werken als een molenpaard.
Wie het eerst komt, die het eerst maalt

Zij is bekwamer, om het pak der liefde, dan om molenstenen te dragen.
Zij ratelt als een musschenmolentje bij elke windvlaag.
Zijn handen gaan als de wieken van een molen.
Zijn hart is bezwaard, alsof het tussen twee molenstenen lag.
Zijn molenbeek liep droog
Zonder water draait de molen niet
Zo als je wel zegt: eet je boter, je kauwt geen molenstenen.
Zoals een molensteen alle soorten graan kan vermalen, zo moet een sterke ziel in staat zijn alle gebeurtenissen te accepteren.

Samenstelling: Peter van den Dongen
Suggesties zijn van harte welkom!